Nieuwsbericht

Populariteit P+R groeit mee met autoluwere stad

16 april 2026 | 3 minuten lezen

P+R-locaties zijn geen snel te realiseren oplossing om minder autoverkeer te laten doorrijden naar de binnenstad. De weerstand tegen nieuw parkeerbeleid, een dominant thema bij de recente lokale verkiezingen, nemen ze ook niet zomaar weg. Toch zien Groningen, Rotterdam en Eindhoven meerwaarde in uitbreiding en het vergroten van P+R-capaciteit. De focus ligt daarbij vooral op bezoekers en forenzen, niet op bewoners.

P+R is onderdeel van groter mobiliteitssysteem

‘Wij werken al jaren aan het afstappen van de autologica’, zegt Thijs Oost, beleidsadviseur deelmobiliteit bij de gemeente Groningen. In die benadering draait P+R om het afvangen van auto’s aan de stadsrand, zodat bezoekers en forenzen het laatste stuk met bus of (deel)fiets afleggen. De gemeente ziet het gebruik nog altijd stijgen en kijkt al vooruit naar extra capaciteit of nieuwe locaties.
Ook Rotterdam koppelt P+R nadrukkelijk aan een binnenstad met meer ruimte voor fiets en voetgangers. Peter Hut, senior-adviseur parkeren en P+R bij deze gemeente, zegt dat de locaties vooral bedoeld zijn voor forenzen en dagjesmensen. Ze halen verkeer uit de binnenstad, maar lossen niet vanzelf de bredere parkeeropgave in woonwijken op. Tegelijkertijd breidt Rotterdam de P+R-capaciteit verder uit.
Eindhoven zit in een andere fase, maar kiest dezelfde richting. De gemeente ziet P+R-locaties als stadsrandhubs binnen een groter netwerk van mobiliteitshubs. Ze zijn bedoeld voor de overstap vanuit de regio op bus of deelfiets. Aan de noord- en oostkant van de stad moeten nog hubs bijkomen. Daarmee zet ook Eindhoven in op verdere uitbreiding.
De drie steden laten daarmee zien hoe P+R kan werken als onderdeel van een groter mobiliteitssysteem. Een terrein aanleggen is niet genoeg. De plek moet logisch liggen aan een invalsweg, de overstap moet weinig tijd kosten en het vervolg van de reis moet betrouwbaar zijn. Anders rijdt de automobilist alsnog liever door.

Werking van P+R

Oost noemt drie hoofdredenen waarom mensen voor een P+R kiezen: de prijs, de bereikbaarheid van het terrein en de bereikbaarheid van de eindbestemming. In Groningen zijn de locaties gratis en liggen ze in alle windrichtingen rond de stad. Naast de bus, zet de gemeente nadrukkelijk in op de fiets. Veel forenzen stallen daar hun eigen fiets of e-bike en reizen daarmee verder naar hun werk.
Hut noemt vrijwel dezelfde voorwaarden, maar legt meer nadruk op gemak, tijd en betrouwbaarheid. Nagenoeg alle Rotterdamse P+R-locaties liggen aan een metrostation. Dat maakt de overstap logisch en voorspelbaar. Iets waar de marketingcampagne zich ook op richt.
Tegelijk laat Rotterdam zien hoe gevoelig het systeem is voor prijsprikkels. Toen op een locatie een tarief van enkele euro’s werd ingevoerd, daalde het gebruik met ongeveer 30 procent.
Die gevoeligheid heeft ook een sociale kant. Rotterdam merkt dat een P+R minder aantrekkelijk wordt zodra de kosten van de ov-doorreis oplopen, zeker voor gezinnen of groepen. Parkeren kan dan gratis zijn, maar als een combiticket vooral gunstig is voor één persoon, wordt doorrijden naar een reguliere garage alsnog verleidelijker.
Ook Groningen kiest nadrukkelijk voor verleiden in plaats van opleggen. De gemeente probeert de P+R zo aantrekkelijk mogelijk te maken, in de hoop dat mensen zelf voor die route kiezen. Volgens Oost werkt dat beter dan dwang. Zeker bij bezoekers van buiten de stad is dat relevant: zij profiteren van een snelle overstap, maar merken minder direct wat minder auto’s in de stad opleveren.

Beperkingen van P+R

Juist daar worden ook de beperkingen zichtbaar. Hut zegt vrij expliciet dat P+R weinig oplost voor bewoners die in hun eigen wijk willen parkeren. De parkeerbehoefte van een bewoner is iets anders dan die van een bezoeker of forens. Voor wie voor de deur wil staan, voelt een P+R zelden als een volwaardig alternatief.
Dat betekent ook dat P+R niet automatisch politieke weerstand tegen parkeermaatregelen wegneemt. De winst voor de stad kan groot zijn, bijvoorbeeld minder verkeer in de binnenstad of meer ruimte voor groen en verblijf. Denk ook aan bereikbaarheid die onder druk komt te staan vanwege grootschalige werkzaamheden. Maar de individuele automobilist maakt meestal een afweging op prijs, gemak en reistijd. Zonder aantrekkelijk alternatief slaat beleid sneller om in weerstand dan in gedragsverandering.
Rotterdam ziet wel kansen bij gebiedsontwikkeling rond zulke locaties, maar dan vooral waar dubbelgebruik van capaciteit logisch is. Overdag kunnen forenzen en bezoekers er staan, terwijl op andere momenten misschien andere functies mogelijk zijn. Toch blijft de kern dat P+R in de eerste plaats werkt voor verplaatsingen van buiten naar de stad.

Meer dan parkeerterrein aan stadsrand

Eindhoven noemt P+R nadrukkelijk ‘een kwestie van lange adem’. De stadsrandhubs moeten belangrijker worden naarmate de stad groeit, het centrum verder verdicht en de ruimte voor de auto schaarser wordt. Die ontwikkeling hangt samen met stijgende parkeertarieven, het verkeerscirculatieplan en het verdwijnen van parkeerplaatsen in het centrum.
Dat zo’n systeem tijd nodig heeft, blijkt ook uit de gebruikscijfers. P+R Genneper Parken groeide van 2.382 parkeerders in 2021 naar 30.485 in 2025. Volgens Eindhoven heeft de coronaperiode de start van nieuwe locaties vertraagd, maar de lijn is dat P+R steeds meer wordt ontdekt.
Voor gemeenten betekent dat dat zij verder moeten kijken dan bezettingscijfers alleen. Groningen onderzoekt elke twee jaar wie de P+R gebruikt, waar reizigers vandaan komen en met welk doel zij de stad bezoeken. Dat helpt om beter te begrijpen of een locatie vooral forenzen, binnenstadbezoekers of andere groepen bedient. Pas met dat inzicht wordt een P+R een gerichter onderdeel van het mobiliteitsbeleid.
De rode draad in de drie steden is dat P+R geen wondermiddel is voor elke parkeerkwestie, maar wel voorkomt dat autoverkeer doorrijdt naar de binnenstad en zo kan helpen om stedelijke ruimte anders te gebruiken. Dan moeten prijs, ligging, OV-kwaliteit en gebruiksdoel wel kloppen. Alleen dan wordt P+R meer dan een parkeerterrein aan de rand van de stad.

Bron: stadszaken.nl